In het boek grond van Jan Hendrik Bakker gaat de filosoof in gesprek met de stadsarcheoloog van Rotterdam. In het hoofdstuk “Een klomp onder de metropool” doet de archeoloog verslag van de wijze waarop hij door de stad loopt. Hij kijkt niet naar het oppervlakte van de stad. Dit maaiveld zou je kunnen definiëren als het heden. Het maaiveld dat als het ware gelijk loopt met de historische horizon van de meeste Rotterdammers. Hij stelt dat de stad boven het maaiveld voor hem nog steeds een betrekkelijk onbekend terrein is. Hij heeft een hele andere kaart van de stad in zijn hoofd. Op zijn mentale kaart staat aangegeven hoe de stad zich door de eeuwen heen heeft opgebouwd. Een verticale kaart die het verleden van een stad, zoals die in de bodem opgeslagen ligt, weergeeft.

Als we over bodem en grond willen spreken lijken doorsnedes betere representaties te zijn om de kenmerken, eigenschappen en fenomenen inzichtelijker te maken. Een plattegrond laat vaak de bovenkant van het maaiveld zien. Grond ligt niet vaak bloot in de stad. Zij is de ondergrond voor andere materialen. Voor betonstraatstenen, asfalt, funderingen, planten, bomen en dergelijke. Op plaatsen die in verandering zijn wordt de grond tijdelijk blootgelegd en kunnen we haar in het dagelijkse leven tegenkomen. Op de grondbank en in het slibdepot is dat het geval. We zien daar de grond als materiaal dat wacht op een nieuwe bestemming of toepassing waarnaar zij weer onder het maaiveld verdwijnt.

In een telefonisch gesprek met Thom Bindels op 7 september 2018 bespreken we de verticale kaart, de doorsnede in relatie tot de plattegrond. Thom stelt dat planten indicatoren zijn van de grond waarop ze leven. Als zodanig vormen ze een legenda van een bodemkaart. Door de levende laag op de grond te bestuderen krijgen we informatie over die grond.

(Gematerialiseerde legenda)